Geschiedenis van Sukothai en Ayutthaya

Sukothai-periode

Sukothai was van 1238-1376 de hoofdstad van het koninkrijk Sukothai dat door de Thai nu als eerste Thaise koninkrijk beschouwd wordt. Sukothai (“Het begin van het geluk”) werd een Siamese hoofdstad doordat twee prinsen een verbond sloten tegen de Khmer en deze stad binnenvielen. De stad was daarvoor een Noordelijke grensstad van het Khmers rijk. De macht van de Khmer (afkomstig uit wat tegenwoordig Kampucheia/Cambodia is) was aan het afnemen. Tussen de 11e en 13e eeuw hadden de Khmer vaker delen van Thailand veroverd en ook cultureel een grote invloed gehad.

Het Sukothai-koninkrijk kende vooral een bloeiperiode onder koning Ram Khamhaeng die regeerde van 1283 tot 1317. Er was voorspoed in de landbouw en handel (er werd druk gehandeld met China). De Thaise vorm van Theravada Boeddhisme kreeg vorm en de kunstnijverheid bloeide. In die kunstnijverheid en architectuur zijn invloeden van zowel Khmer als Mon (bevolkingsgroepen geografisch dichtbij) te zien maar ook invloeden uit culturen uit India en Sri Lanka. Koning Ram Khamhaeng initieerde de ontwikkeling van het Thaise alfabet op basis van het Burmees. Hij onderhield niet alleen relaties met China maar ondersteunde ook twee noordelijke machthebbers die hun zetels hadden in Chiang Mai en Phayao en later het rijk “Lan Na Thai” vestigden (tegenwoordig Lanna genoemd).

Pas aan het einde van de veertiende eeuw kwam een einde aan deze “Gouden Eeuw” van het rijk Sukothai door de inlijving van Sukothai door het koninkrijk van Ayutthaya.

Tegenwoordig is het uitgestrekte gebied van de ruïnes van deze stad een UNESCO-monument dat ondanks zijn huidige staat van afgebrokkeldheid de fantasie prikkelt over de vergane glorie.

Ayutthaya-periode

Prins U Thong riep zich in 1350 uit tot koning Ramthibodi I en koos Ayutthaya als hoofdstad van zijn rijk. Net als Sukothai was Ayutthaya daarvoor een Khmer grensstad genoemd naar Ayodhya (Sanskriet voor onveroverbaar), de woonplaats van koning Rama in de Indiase legende Ramayana. De Ayutthaya-periode lijkt zo mogelijk de glorietijd van de Sukothai-periode te overschaduwen in culturele bloei, politieke invloed en vooral reikwijdte van de grenzen. Deze grenzen reikten tot (gedeeltelijk ver) over de huidige grenzen van Laos, Cambodia en Myanmar, terwijl Sukothai vooral een grote Noord-Zuid spanwijdte kende. Zeker 33 koningen regeerden het rijk over meer dan 400 jaar. De stad Ayutthaya was wijd en zijd vermaard om zijn enorme paleizen, talloze tempels en stupa’s die met mozaïeken en vaak ook goud versierd waren. In de hoogtijdagen werd het koninklijk hof druk bezocht door zakenlieden uit China, Japan, Sri Lanka, Maleisische staten, Engeland, Nederland en Portugal. In 1511 had Portugal zelfs een ambasade in Ayutthaya. In 1690 schreef Engelbert Campfer uit Londen: “Among the Asian Nations, the Kingdom of Siam is the greatest. The magnificence of the Ayutthaya court is incomparable.”

In haar hoogtijdagen aan het eind van de 17e eeuw, woonden er in de stad meer dan 1 miljoen mensen, meer dan er in die tijd in Londen, Parijs of Amsterdam leefden. Alle Westerse bezoekers van de stad bejubelden de grootsheid ervan. Evenals Sukothai was Ayutthaya omgeven door water en een stadsmuur om indringers buiten te houden. Helaas heeft dit niet geholpen. In een oorlog met de Burmezen viel in 1767 de stad na een belegering van twee jaar en werd vervolgens totaal leeggeroofd. Alles wat de Siamezen heilig was werd of meegenomen of kapotgemaakt. Het goud werd van de Boeddhabeelden gesmolten, tempels en manuscripten geschonden of vernietigd. Wat niet is meegenomen door de Burmezen is naar musea overgebracht, waarvan het Chao Sam Phraya National Museum in Ayutthaya tegenover de stadswallen in Rojana Road er één van is.

Klik hier om terug te gaan naar de homepage van Cambodja online